Druk op enter om de resultaten te tonen of ESC om te annuleren.

Zondvloed

Hoofdstuk 5

De zondvloed.

G e n e s i s 7 : 11-12 +17-20

11 In Noachs zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend.

12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde.

17 En de vloed was veertig dagen over de aarde en de wateren wiesen en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.

18 Toen de wateren zeer toenamen en sterk wiesen boven de aarde, dreef de ark op de wateren.

19 En de wateren namen geweldig sterk toe over de aarde, en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden overdekt.

20 Vijftien el daarboven stegen de wateren, en de bergen werden overdekt.

Er waren slagregens, en er waren vloedgolven. Het droge werd bedekt met tonnen water, en het water kwam van boven, door slagregens, en het water kwam vanonder, vanuit de oceanen in de vorm van vloedgolven.

Mens noch dier ontkwam aan deze massa water. Alles werd bedolven, alles werd meegesleurd. Mensen, dieren, bomen en planten werden meegesleurd door tonnen water. Maar ook klei, zand, grind, stenen en rotsblokken  konden niet op tegen het watergeweld.

De slagregens vielen op de vlakten, maar ook op de hoger gelegen landdelen, dus ook op de bergen. Het waren stortregens, dus een gordijn van water, het water kwam met bakken uit de lucht, en viel op de aarde en sleurde alles mee, wat zich daar bevond. Dikke modderstromen kwamen van de bergen af en bedekte alles wat het tegenkwam met een metersdikke laag zand en klei.

Tegelijkertijd kwam er een muur van water vanaf de kust, en ook dit zeewater sleurde alles mee wat op zijn weg kwam. Met deze stroom werden alles wat aan de kust en verder landinwaarts zich bevond meegesleurd, en tegelijkertijd bedekt met een dikke laag modder. Ook deze laag modder bestond uit klei, zand, grind, stenen en rotsblokken. Niemand had een kans om te overleven; mensen, dieren, planten, bomen werden onder meters dikke laag zand bedolven.

G e n e s i s 7

21 En al wat leeft, dat zich op de aarde roert, het gevogelte, het vee en het wild gedierte en alle wemelend gedierte, dat op de aarde wemelt, benevens alle mensen, kwamen om.

22 Alles, in welks neus de adem van de levensgeest  was, alles wat op het droge was, stierf.

23 Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, zodat zij

verdelgd werden van de aarde; Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was.

24 En de wateren hadden de overhand over de aarde, honderd vijftig dagen lang.

De zee was over het droge, de aarde, het land getrokken en was daar gebleven gedurende honderd vijftig dagen. Dat is ongeveer vijf maanden stond het water op het droge, en wel zo dat de hoogste bergen onder water stonden, en het water stond vijftien el erboven.

Een deel van al het zand en alles wat was meegesleurd door het water, bevond zich in de tonnen water, die zich boven het land bevond, en zakte in lagen naar de beneden, en bedekte het ondergelopen land. Maar ook de regen hadden lagen aarde gevormd, en ook het oprukkende water vanuit de zeeën had lagen aarde gevormd.